Half vijf

Klandermans was laat. Hij had er al een kwartier geleden moeten zijn. Dat was niets voor Klandermans, te laat komen. Met zijn voorganger was dat wel anders geweest, die had zelfs principieel geweigerd een horloge te dragen. Enfin, hoe het met hem was afgelopen, wist iedereen. Klandermans beschouwde punctualiteit als de kern van de Westerse beschaving. “Als zestien miljoen Nederlanders allemaal vijf minuten te laat zijn, loopt ons land in één klap ruim 150 jaar achter, reken maar na”, zei hij vaak. Natuurlijk rekende niemand het ooit na.
De klok van de H.H. Martelaren van Gorkum sloeg vier uur. Eindelijk belde Klandermans aan.

Met opzet liet ik hem een paar minuten wachten. Ik bestudeerde hem ondertussen door het spionnetje in de deur. Ik observeerde zijn rusteloze voeten, zijn horlogekijken (met intervalsecondewijzer, stopwatch en zeven andere functies, zo wist ik), zijn snuiven en zijn kruiskrabben. Hij zweette hevig. Dat beloofde wat, want normaal hing er al de geur van ongesneden bokken om hem heen.

Net toen hij het niet meer verwachtte trok ik de deur open. Hij schrok.
“U bent laat!” zei ik. Klandermans had zijn zakdoek uit zijn zak gepakt om zijn voorhoofd af te vegen. Hij stommelde naar binnen en plofte neer.
“Laten we maar gelijk beginnen, heb je al ...”
“U zult wel dorst hebben, zal ik een lekkere koude cola inschenken?”, onderbrak ik hem.

Klandermans twijfelde.

Ik slofte zo langzaam mogelijk naar de keuken. Omstandig haalde ik van alles rinkelend uit de koelkast, zette het weer terug, maakte de fles open met veel gesis, vloekte toen er een scheut cola uit spoot, veegde het gemorste nauwkeurig op, schonk het glas vol schuim, wachtte op mijn dooie gemak tot het schuim gezakt was, vulde nog eens bij, deed de fles zorgvuldig dicht, deed de koelkast open, haalde er weer van alles uit, zette de fles terug, rinkelde flink met de potten met zuur en deed de deur dicht.
“IJsblokje er in?”, vroeg ik.
“Graag, doe er maar twee. Heb je ook een schijfje citroen?”

Klandermans zat mijn post te lezen.
Hij keek me aan over het halve brilletje dat op zijn zweterige neus glibberde.
“Een verhuisbericht, weet je wat je daar mee moet doen?” Klandermans dronk gulzig van zijn cola. “Heb je een begrafenisverzekering?”
Ik knikte. “Bij Yarden.”
“Goed, ga er morgen dan eens langs, ze hebben een kantoortje tegenover de begraafplaats, en haal een stapel rouwenveloppen. Dat heb ik ook gedaan.
Als ik nu een verhuisbericht krijg, schrijf ik het nieuwe adres op zo’n envelop, die met het oude adres verscheur ik. Dat is dan maar vast klaar, bespaart de toekomstige nabestaanden een hoop werk!”

Klandermans liet een boer.

“Wat heb je eigenlijk allemaal in die koelkast? Ruim je die wel eens op?”
“Je weet maar nooit in deze tijden, ik heb maar liever een voorraadje in huis.”
“Je bent toch niet weer bezig, hè?”
“Waar bemoei je je mee?”
“Ik zeg het voor je bestwil”
“Me bestwil, me best wil, ik weet dat je me best wil, maar ik wil jou niet, ik wil je niet, ik wil je niet, heb je daarom zo’n verdriet?” zong ik.
“Doe normaal”, zei Klandermans.
“Ik doe niet normaal, want ik ben niet normaal. Als ik normaal was, had jij ook niets te doen, zat jij ook hele dagen te wachten tot de HH Martelaren van Gorkum het volgende uur sloeg. Of is het sloegen? En af en toe had je dan mazzel, als er eens eentje doodging, een van die laatste papen, dan had je ook weer eens een verzetje. Bim, bam, beieren...”
“Ik vroeg je wat”, zei Klandermans ...
“Nee, voor mij zullen ze niet luiden, die heilige martelaren. Ik ben niet van ’t houtje.”

Klandermans wreef het zweet uit zijn ogen.

“Kun je geen raam open zetten?”
“Natuurlijk kan ik wel een raam open zetten, maar wil ik een raam open zetten, dat is de vraag!”
“Wil je een raam open zetten?”
“Nee, dat wil ik niet.”
“Waarom wil je dat niet?”
“Omdat ik daar geen zin heb. En ik heb er geen zin in omdat jij wil dat ik een raam open zet. Dan heb ik er gelijk geen zin in”
“Hoe komt dat?”
“Tja, dat vraag ik me ook wel eens af, waarom heb ik gelijk nergens zin in als Klandermans het wil? Omdat Klandermans het wil, denk ik.”

Klandermans zuchtte.

“Wat zit je eigenlijk in mijn post te grasduinen?”
“Ik wil je helpen”
“Ik wil je, ik wil je, ik wil je” zong ik.
“Maar nodig heb ik je niet.”
Ik keek hem recht aan, zijn ogen dwaalden af naar de kalender van vorig jaar.
“Ter zake”, zei Klandermans.
“Niet nodig, helemaal niet nodig”.
Ik liet me achterover zakken op de bank en peuterde uitvoerig in mijn neus en haalde daarna eens lekker op.
“Tweemaal per dag, indien nodig vaker. Maximaal vijf capsules per dag. Buiten het bereik van kinderen bewaren. Kan de rijvaardigheid beïnvloeden. Bij contact met de ogen gelijk onmiddellijk met veel water uitspoelen, zonodig een arts raadplegen”, reciteerde ik.

Klandermans stond op.

“Nog een colaatje, Klandermans? Twee ijsblokjes, was het toch? De citroen is nog steeds op.”
Ik pakte zijn glas en liep met grote stappen naar de keuken, deed de koelkast open en haalde er van alles rinkelend uit. De voordeur klapte dicht.

Klandermans was weg.

De klok van de HH martelaren van Gorkum sloeg half vijf. Hoogste tijd voor een biertje.

© Hannie van Blitterswijk, december 2004

{short description of image}

terug naar mijn thuispagina