|
Een heerlijke avond . Het tasje bengelt langs haar heup en trekt zijn blik naar de zoom van haar korte rok, er glanzen gouden haartjes op haar bovenbenen. De arm die er langs zwaait is bezet met dezelfde soort korte haartjes. Niet te dichtbij, denkt hij, even wachten tot ze bij de hoek met de Voorstraat is. Daar is het altijd druk. Het tasje heeft een simpele drukknop, fluitje van een cent dus. Zo zorgeloos als die vrouwen zijn. Bij de patatkraam schuift een man tussen haar en hem in, zij gaat de hoek om. In de Voorstraat slentert hij weer naar haar toe en blijft dan schuin links vlak achter haar lopen. Haar billen wippen in het zwarte rokje om beurten op en neer als ze op haar hoge sleehakken over de keitjes stapt. Op haar rechterschouder heeft ze een kleine tatoeage. Een soort Chinees teken, denkt hij. Het bandje van haar hemdje zakt van haar rechterschouder af. Met haar linkerhand hijst ze het op, het tasje zwaait naar achteren. Dit is het moment. Het is een rood beursje. Eerst maar eens rustig wat drinken, voorlopig is dat meisje toch nog niet thuis. De beste tijd is meestal zo tegen zessen, is zijn ervaring. Zo’n mooi grand café, dat had hij hier niet verwacht. Er is nog een plaatsje aan het raam vrij. Hij bestelt een bitter lemon, dat helpt in elk geval tegen de dorst, hoewel hij eigenlijk liever een biertje zou lusten. De wc is beneden. Terwijl de wc doorspoelt, opent hij het beursje. Een briefje van twintig en wat stuivers. Dat geld moet er uit, niets aan te doen. Een creditcard, een bankpas, een bonuskaart. Ah, een donorpasje met haar adres, Campanulahof, dat zijn die studentenflatjes. Terug aan het tafeltje aan het raam neemt hij een slok. Hij stelt zich voor hoe ze straks de deur open zal doen. Zou ze die hakken nog aan hebben, of zou ze thuis slippers dragen? Hij zal het rode beursje in zijn hand houden, dat wekt vertrouwen. Hij grinnikt in zichzelf. Wat is hij handig geworden sinds die eerste keer. Het was al bijna donker geweest, die avond. Hij had door de winkelstraten lopen dwalen. Het was druk met mensen die op het laatste nippertje Sinterklaasinkopen aan het doen waren. Wat liepen ze te sjouwen met al die tassen en dozen. Hij hoefde hij dat allemaal niet, niemand verwachtte hem met Sinterklaas. Ineens had hij hem in de goot zien liggen, een dikke bruine herenportemonnee met een rits. Thuis maakte hij hem open. Veel geld zat er niet in, wel een creditcard en een rij pasjes. Hij zag in gedachten de man in zijn zakken zoeken, vloekend misschien. Op het bonnetje van de stomerij stond een adres, de Haarzuilenstraat, dat was gelukkig niet ver weg. Voor de deur kreeg hij het even benauwd, maar toen hij weer dacht aan de ontreddering waarin de man moest verkeren, drukte hij ferm op de bel. Hij aarzelde even voor hij de drempel over stapte. De witte tegels glommen in het licht van de lantaarn voor de deur. Zorgvuldig veegde hij zijn voeten op de halfronde kokosmat achter de deur. "Maria, Maria, kom eens, mijn portemonnee is gevonden!" “Houdt u van ossenhaas?", vroeg ze. Het was een heerlijke avond geworden, hij lachte en hij maakte zelf ook grapjes. Het was alsof hij vrienden had. © Hannie van Blitterswijk
|
![]() |