|
Donkere
dagen
Grauw licht schijnt door de gordijnen. Helga vraagt ze
zich af waarom ze eigenlijk op zou staan. Waarschijnlijk omdat het zo hoort.
Nog twee dagen, denkt ze. Strauss ligt tegen haar buik aan te slapen, zijn
staart om zijn lijf heen geslagen. Als zij beweegt, wordt hij ook wakker. Hij
rekt zich uit, komt overeind en begint zich te wassen: eerst zijn rug, dan zijn
achterpoten. De rechterpoot gaat omhoog. Het roze tongetje glijdt met lange
halen over zijn dij, bereikt dan zijn witte tenen en gaat er nauwkeurig
tussendoor op en neer. Af en toe blijft hij op een vies plekje steken, daar
bijt hij dan een beetje en doet er een kloddertje spuug bij. Plotseling houdt
hij op, zijn poot half omhoog, het puntje van de tong nog uit de bek. Hij kijkt
omhoog naar de bovenkant van de kast en blijft staren naar die plek. Zijn oren
draaien naar achteren, terwijl hij zijn achterpoot langzaam laat zakken.
Helga staat op, Strauss springt van het bed af en rent naar de keuken.
Wat het ook is, daarboven op de kast, het kan wachten tot na zijn
ontbijt. "Er wordt voor jou gezorgd, hoor Strauss", zegt ze terwijl ze
brokjes in het bakje schudt, "dat heb ik geregeld." Nadat ze het
koffiezetapparaat heeft aangezet gaat ze op de bank zitten. De koffie pruttelt
moeizaam, eigenlijk zou het apparaat ontkalkt moeten worden. Ze kijkt om de
hoek van het gordijn, ziet de bergen grijze zakken op de hoek van de natte
straat. De vuilnisman is nog niet geweest, ze zou haar vuilnis nog buiten
kunnen zetten, maar eerst wil ze koffie.
Zal ze gaan douchen? Toch maar
wel. Ze blijft de koude kraan heen en weer draaien tot ze eindelijk de juiste
temperatuur heeft gevonden. Ze beweegt de spons met doucheschuim over haar
lichaam, langs de uitgezakte borsten, die blubberbuik en de afhangende billen.
Als ze zich afgedroogd heeft, slaat ze snel haar badjas om zich heen. In de
slaapkamer ziet ze Strauss op het hoofdkussen zitten, hij tuurt weer naar de
bovenkant van de kast. Ze trekt een gemakkelijke broek aan. Strauss blijft maar
staren. Huiverend trekt ze haar zwarte trui aan.
In de lift naar beneden
staat een knappe jonge slanke vrouw die voldoende lijkt te hebben aan haar
eigen volmaaktheid. Zonder groeten kijkt ze dwars door Helga heen. Buiten
in de regen haasten zich de schaarse voorbijgangers onder paraplu's, hun
blikken op de natte straat gericht. Er staan twee vrouwen bij de bakker. De
ene heeft een bleek kindje aan de hand. Het kind kijkt om als Helga binnenkomt,
er hangt een enorme snottebel aan haar neus; ze blijft Helga aanstaren. Een
dikke donkere vrouw komt binnen en werkt zich gelijk langs Helga naar voren.
"Twee casino", roept ze zodra de vrouw met het snottekind heeft
afgerekend. Laat maar, denkt Helga, het maakt niet uit, over twee dagen ben
ik er vanaf.
Vijf dagen later is het nog niemand opgevallen dat de
gordijnen dicht blijven. In de schemerige huiskamer springt Strauss van de bank
af en loopt naar de hal. Hij duwt voor de zoveelste keer met zijn snoet tegen
de slaapkamerdeur. Die is dicht. Dan gaat hij voor de buitendeur zitten en
tuurt naar de knop. Als hij iets denkt te horen, staat hij op, zijn staart
gekruld in een vraagteken van hoop. De geluiden sterven weer weg. Teleurgesteld
likt hij zijn voorpoot.
Op het strand van Agadir draait Helga zich loom
nog eens om. Wat is het toch heerlijk, die zon op haar lijf, een zachte wind
over haar gebruinde rug. Straks gaat ze weer naar dat terras, lekker wat eten
en drinken. Ze hoopt dat Aziz er vandaag ook is. Mooie jongen is dat, hij
spreekt zelfs Nederlands! Langzaam zakt ze weer weg in een rozige
halfslaap.
Strauss springt van de bank en rent naar de deur, deze keer
heeft hij het goed gehoord! Hij draait rond de benen van de buurman om hem
kopjes te geven. Eindelijk etenstijd!
© Hannie van Blitterswijk,
december 2000 |