Henk

 

In het donker is het huis nog verlatener. Hij moest maar weer verder met de logeerkamer. Julien doet een kast open. Stapels fotoalbums en dozen vol dia's. Op een plank ligt een stapel tijdschriften. Een plank lager de jeu de boules ballen. Een brievenweger, een vaasje met pennen en twee briefopeners. Drie blauwe schipperstruien van zijn vader. De picknickmand. Een koffertje. Julien voelt een lichte paniek; nu hij het huis moet ontruimen, moet hij over de toekomst van al die dingen beslissen. Vazen, asbakken, taartschoteltjes, kerstkaarten van de afgelopen tien jaar, het restant rouwenveloppen van zijn vader die acht jaar eerder overleed. Wat doet hij er mee? De tijdschriften moeten weg. Die truien kunnen ook naar het Leger des Heils.

Hij doet het koffertje open: geboortekaartjes van hemzelf: We hebben een zoon, we noemen hem Julien, een blauw strikje op de hoek. Het boekje van het consultatiebureau. Een rekening van een begrafenisondernemer. Papieren van een graf, II. N296. Grafrechten afgekocht voor 50 jaar. Het graf van ene Hendrik Lindenbaum. Wie was dat nu weer? Een foto: zijn vader, zijn moeder, een hond, dat moet Asta geweest zijn, en twee kleine jongetjes in een tuin. Hij herkent zichzelf door de vertederde blik van zijn moeder. Verder zijn de ventjes even groot en even blond. Hij heeft die foto nooit gezien. Vanaf de kleuterschool zijn er foto's genoeg, keurig ingeplakt in albums, maar van zijn vroege jeugd is er niets. Het huis op de achtergrond herkent hij niet. Dat zal dan wel zijn geweest voor ze verhuisden. Wie zou die andere jongen zijn? Julien stopt de foto in zijn binnenzak.

Zijn moeder is drie weken geleden gestorven. Met de slaapkamer is hij al grotendeels klaar. De aanblik van zijn moeders mantelpakjes, blouses en schoenen had hij niet kunnen verdragen. Een week na haar begrafenis had hij alles razendsnel in vuilniszakken gestopt. De intimiteit van haar slips en beha's had hem geschokt. Weg er mee. Op de kaptafel staat haar sieradendoosje. Hij moet straks niet vergeten het mee te nemen, dan kan hij het van het weekend naar tante Eline brengen.

Tante Eline kust hem hartelijk. "Hoe gaat het nou, jongen, vreselijk toch, helemaal geen ouders meer en dan ook nog zo alleen. Als je tenminste nog broers of zussen had en dan ook nog steeds niet getrouwd! Wil je thee of liever koffie? Ik heb een heerlijke Earl Grey, maar als je liever koffie wil, moet je het zeggen, ik heb het zo gezet. Ga toch zitten; wil je roken, o, nee, je rookt niet, verstandig van je. Nou, ik rook nog steeds. Wil je vast een koekje? Je mist je moeder zeker vreselijk? 't Was een mooie begrafenis, hoor, daar kun je tevreden over zijn; stijlvol maar toch eenvoudig. Zo zou je moeder het gewild hebben. Ze kan trots op je zijn." "Ik heb moeders sieraden voor u meegebracht." Julien zet het doosje op de lage tafel. Tante opent het alsof het een cadeautje is. "Och, kijk nou eens, die oorbellen zijn nog van mijn moeder geweest, die armband kreeg ze van je vader toen jij geboren was en wat een mooi broche, die ken ik helmaal niet, die heeft ze zeker niet vaak gedragen." Julien neemt een slokje van zijn thee. "Neem nog een koekje, vind je de thee lekker? 't Is Earl Grey. Wil je zo nog een kopje?" "Ik wilde u nog iets vragen, tante", Julien haalt de foto uit zijn zak. "Ach wat leuk, wat een schatje was je toen toch; nog steeds natuurlijk, zo lief van je dat je me op komt zoeken. Wat was je vader toen een knappe vent. Ik was toen wel eens een beetje jaloers op je moeder, dat kan ik nu wel zeggen, toch?" "Tante, weet u wie dat ander jongetje op de foto is?" "Ja, dat weet ik wel. Dat was Henkie van Rietje Lindenbaum, jullie werkster. Jij en Henkie speelden altijd samen. Een drama was dat voor die ouders. Je moeder heeft het mij allemaal uitgebreid geschreven. Jullie hadden allebei mazelen. Gelukkig kwam jij er wel weer bovenop. Hij niet. Rietje had vijf kinderen. Jouw ouders hadden alleen jou. Ze waren er ook kapot van, je ouders. Die mensen waren ook helemaal niet verzekerd. Jouw ouders hebben de begrafenis van dat jongetje toen nog betaald. Kort daarna zijn jullie verhuisd. Jij was toen nog niet eens helemaal beter, schreef je moeder. Wij woonden toen in Zuid-Afrika. Weet je nog dat ik je toen die kaart heb gestuurd, met dat wildebeest er op, dat was toen je zo ziek was. Wil je nog een kopje thee of liever een glaasje? Ik heb er lekkere nootjes bij. Daar houd je toch wel van, kom laat ik je eens inschenken. Zelf heb ik ook wel trek in een glaasje"

's Avonds laat zit Julien thuis op de bank. Alles lijkt alles hier normaal. De tafel met de vier stoelen staat, zoals altijd net een beetje scheef. De kandelaar met drie kaarsen in het midden van de tafel. Zijn oude knuffelkonijn Flaps zit gewoon op het hoekje van de bank. Alleen het theekastje van zijn ouders staat nog wat onwennig in de kamer. Rietje Lindenbaum, Henkie, hij herinnert zich er allemaal niets van. Van zijn hele vroege jeugd herinnert hij zich niets. Kennelijk begint zijn geheugen bij de foto's in de albums. Hij heeft nog een vage herinnering aan een nacht, lang geleden. Een beetje angstige herinnering. Het was koud en het stormde en er was een auto, meer weet hij niet. Hij heeft altijd een beetje raar gevoel bij die herinnering gehad. Hij had er zijn ouders nooit naar gevraagd. Nu kan het niet meer. Net als zoveel andere dingen die hij nu niet meer kan vragen. Voor de verhuizing, hoe was het toen? Het leek alsof zijn ouders dat onderwerp wilde omzeilen. Hij denkt aan deze Rietje. Zou ze nog leven? Zou ze zich nog dingen herinneren uit die tijd? Ja, natuurlijk, haar zoontje is toen gestorven, maar zou zich ook nog dingen over hem herinneren? Julien gaat maar eens naar bed. Morgen komt het Leger des Heils de meubels weghalen.

's Nachts droomt hij van Rietje. Ze heeft een blauwe schipperstrui aan en ze huilt. Tante Eline roept: "wil je glaasje, Rietje?" Hij voelt zich 's ochtends niet echt uitgerust. Onderweg naar zijn moeders huis blijft hij aan Rietje denken. Eigenlijk is hij wel erg nieuwsgierig. Maar kun je dat doen, zomaar, na bijna veertig jaar bij iemand aanbellen: "Dag mevrouw, ik ben Julien van Meervoorde, ik kom eens langs." Zijn ouders hebben nooit meer contact met haar gehad, tenminste niet dat hij zich kan herinneren.

Het Leger des Heils neemt alles mee en verzekert Julien dat alles goed terechtkomt. "Meneer u heeft geen idee, hoe de mensen er soms aan toe zijn. Natuurlijk, het zou niet moeten kunnen vandaag de dag, maar wat een ellende wij soms zien. Dan zijn we heel erg blij dat we de mensen mogen helpen met overtollige spullen zoals deze meubels van uw overleden moeder. Heel veel sterkte verder meneer, een prettige dag verder!" Het blijft door zijn hoofd spoken. Ineens wil hij meer weten over zijn eerste levensjaren. Rietje zal hem vast iets kunnen vertellen. Hij heeft uiteindelijk die foto. Dat is in elk geval een reden om haar op te zoeken. Misschien heeft ze wel helemaal geen foto van Henk.

Rietje woont nog steeds in zijn geboorteplaats. Zaterdagmiddag rijdt hij er naar toe. Er wordt niet opengedaan. Na drie maal bellen gaat de deur van het huis er naast open. "Kom je voor Rietje, die is er niet, hoor, die zit op de camping." Julien krijgt het adres van de camping. De lucht is strakblauw, in de weilanden staan schapen, de lucht ruikt zilt. Julien krijgt even het gevoel dat hij een dagje uit is. Nog steeds twijfelt hij. Is dit nu verstandig? Moet hij het verdriet bij die oude vrouw weer oprakelen? Maar ja, misschien is ze wel blij met die foto en misschien kan ze hem nog iets vertellen over toen. De caravans schitteren in de zon, de vlaggen klapperen in de wind. "Bezoekers melden bij de receptie" zegt het bordje. "Ik kom voor Rietje Lindenbaum" zegt hij tegen de campingbaas. Het gras is overal keurig gemaaid, knalrode geraniums, ergens blaft een hond. Ze zit met gesloten ogen achterover in de zon. Kort geblondeerd haar boven bruinverbrande rimpels. Julien schraapt zijn keel. Verderop schalt er een schelle lach over de camping. Hij hoort stoelen verschuiven, er worden lege flesjes in een krat gezet. Riet doet haar ogen open. "Dag mevrouw Lindenbaum, ik ben Julien van Meervoorde. U hebt vroeger bij mijn ouders gewerkt." De vrouw knikt. "Mijn moeder is een maand geleden gestorven. Bij het opruimen van het huis heb ik een foto gevonden waar uw overleden zoontje Henk op staat. Rietje wordt een beetje bleek. "Ik heb het maar liever niet meer over die tijd", zegt ze, "die wil ik liever vergeten." "U heeft natuurlijk heel erg veel verdriet gehad om Henk," zegt Julien, "maar ik dacht, misschien wilt u deze foto hebben. "Ik héb een foto van Henk" zegt ze, "kom, ik zal hem je hem laten zien." Achter het kralengordijn is de caravan blinkend schoon. De kleine ruimte staan vol met porseleinen zeehondjes, kunstbloemen en foto's. Ze wijst naar en foto in een zilveren lijstje. Een blond klein ventje met een knuffel. Julien heeft even het gevoel dat hij in een oude spiegel kijkt. Dat knuffelkonijn. Dat is Flaps! Die moedervlek. Hij wordt een beetje duizelig. "Uw zoon staat daar met mijn Flaps!", zegt hij. Rietje knikt. "Ik heb Flaps nog steeds, hij zit op de hoek van de bank", zegt Julien." Rietje zucht. "Hebben ze je het echt nooit verteld?" Julien kijkt Rietje aan. "Jullie hadden allebei mazelen. Gelukkig kwam jij er weer snel bovenop. Hij niet. Je weet het echt niet hè?" Rietje kijkt hem aan."Zijn vader kwam die nacht bij ons. Het was heel veel geld en jij zou een leven krijgen, dat wij je nooit hadden kunnen geven. Wij hadden vijf kinderen. Zij hadden alleen hem. Zij kon geen kinderen meer krijgen. Hij heeft je toen gelijk met de auto meegenomen. Begrijp je het een beetje? Ik zal die nacht nooit vergeten, het stormde en het was koud. De dokter wilde wel meewerken, hij heeft er voor getekend dat Henk dood was. Begrijp je me Henk?"

 

16 juni 2000 © Hannie van Blitterswijk

{short description of image}

terug naar mijn thuispagina