Kleine ingreep

Ik zweef in een aquarium.
"Zuster, zuster!", hoor ik door het glas heen.
Mijn oogleden zijn vastgekleefd, ik glijd weer weg.

Het is schemerig als ik weer boven in mijn bewustzijn kom drijven; ik open mijn ogen en kijk om me heen. Ik zie wit, veel wit in het grauwe licht. Dan herinner me ik waar ik ben. "Dorst, mompel ik."
De gestalte in het andere bed beweegt.
"Zuster! Ze wil water!", klinkt een stem.
Verkwikkend water stroomt over mijn uitgedroogde tong. Dan haalt de zuster het tuitje uit mijn mond. Haar gezondheidssandalen maken nauwelijks geluid als ze op weg naar het schimmig verlichte gat in de verte steeds kleiner wordt. Daar maakt ze ineens een scherpe beweging naar links en is weg. Alsof ze er nooit is geweest. Ik sluit mijn ogen weer.

"Beroerd, zeker, hè?" vraagt de stem.
"Valt mee", had ik willen zeggen, maar ik hoor zelf ook alleen maar een soort grom.
"Dat had ik ook na de operatie, ze zijn vier uur met mij bezig geweest, nou dan weet je het wel! Tenminste, ik wel. Ben jij al vaker onder het mes geweest?"
Ik zeg "blerp", terwijl ik nee had willen zeggen.
"Voor mij was het al de zesde, dus ik weet waar ik het over heb."
Van mijn antwoord is "eerste keer" kennelijk nog net verstaanbaar.
"Nou dan heb je mazzel gehad; ik niet, ik heb hier een abonnement zegt de dokter wel eens. Heb je hem al gezien? Leuke jongen! Hij zou mijn zoon kunnen zijn, niet dat ik een zoon heb, maar het zou kunnen qua leeftijd dan, bedoel ik. Ja, je let toch op die dingen, je blijft toch een vrouw."
Ik probeer mijn hoofd te schudden, een carrousel komt op gang, ik zwier langs het plafond; "diepbruine ogen" en "leuke krullen" hoor ik tijdens mijn rondje.
"Heb jij kinderen?"
Knikken gaat me beter af, merk ik.
Mijn ogen vallen steeds weer dicht. Terwijl ik naar het randje drijf hoor ik nog iets over 'ook een hoop zorgen'. Ik vind het allemaal best.

Alles is fel wit. Onmiddellijk doe ik mijn ogen weer dicht, jammer dat ik mijn oren niet even gemakkelijk kan sluiten. Klompen klossen, een lach klatert over de gang.
"Mag zij al brood hebben? Ik moest anders eerst nog van die lammetjespap eten."
Een geruststellend gebrom.
"Ja, dat is waar, die van mij was natuurlijk veel zwaarder."
Ik heb trek. Achter mijn gesloten oogleden ontvouwt zich een visioen van drie bruine boterhammen met kaas. Als ik mijn ogen open doe, zie ik op het nachtkastje een witte boterham zonder korstjes met rode glibberjam er op. Geen kaas
"Dat krijg je altijd als je geopereerd bent, dan krijg je jam. Operatiejam noemen we dat hier."
Nu heb ik helemaal geen trek meer.
"Zeker nog een beetje misselijk?"
Ja, ik voel me ineens een beetje misselijk.
"Drink je thee nu maar op, dat is lekker!"
De zaal maakt even een pirouette maar dan heb ik het oortje te pakken. De lauwe vloeistof glijdt langs mijn stoffige tong.
"Ja, het is geen Earl Grey, dat snap je ook wel, maar je knapt er toch van op, is het niet?"
Ik knik.
"Nog een kopje? Ik roep haar wel even."
"Zuster!"
Ineens merk ik dat ik hoofdpijn heb.
"Ze wil nog thee!"
Ik strijk over mijn voorhoofd.
"Koorts?"
Ik schud mijn hoofd. De zaal blijft nu gelukkig stilstaan. "Hoofdpijn", fluister ik.
"En een pijnstiller, zuster."

"Daar is hij!", klinkt het.
Ik was net weer zo heerlijk weggezakt. Een donkere krullenbol kijkt op me neer.
"Hoe is het met u?"
Ja, hoe is het met mij, daar ben ik nog niet zo aan toegekomen.
"Ze is nog beroerd hoor!"
"Beetje slap", bedenk ik ter plekke.
"Geen pijn?"
"Nee, geen pijn."
"Ze had anders wel hoofdpijn, ik heb nog om een pijnstiller voor haar gevraagd. Heb je die nou gehad?"
"Ik wil slapen", mompel ik.
De krullenbol glimlacht.
"Ik zie u morgen weer, dan voelt u zich vast veel beter."

Het licht is milder als ik mijn ogen open doe.
"Hoe is het, mam?"
"Hoe laat is het?", vraag ik.
"Vijf uur, heb je nog pijn?"
"Fijn dat je er bent!"
"Is dat je zoon?"
"Dag mevrouw, ik ben Daniël, inderdaad, haar zoon."
"Je moeder is nog niet de oude hoor, ze heeft de hele dag geslapen."
"Alles goed met Katja en de kleine Merle?"
"Ja, ze sturen je allebei een dikke kus!"
"En ze had hoofdpijn vanochtend, ik heb nog om een pijnstiller voor haar gevraagd."
"Had je hoofdpijn?"
"Een beetje."
"En nu?"
"Ik voel het weer een beetje opkomen."
"Moet je straks maar tegen de zuster zeggen."
"Ja, dat zal ik doen."
"Je bent moe, hè?"
"Ja, ze is moe, dat zie je wel."
"Ik ga maar weer, Esther komt morgenmiddag."
"Fijn."
"Is dat je zus?"
"Ja, Esther is mijn zuster. Dag mam, ik kom morgenavond weer!"

"Knappe jongen hoor, die zoon van jou! Lekker slank, mooi pak. Wat doet hij voor de kost?"
Ik laat mezelf wegglijden voor ik antwoord hoef te geven.

*

"Kijk eens, een boterham met kaas! Dat vind je lekker hè?"
Ik bevrijd mezelf uit de losse eindjes van mijn droom en weet weer waar ik ben. Ik hou me nog even slapende, probeer eerst zelf te bedenken hoe ik me nu voel.

"Goedemorgen," zeg ik dan. "Goed geslapen? Ik wel, heerlijk! Ik voel me een ander mens!"
"Je hebt anders behoorlijk liggen woelen, vannacht."
"Heb je last van me gehad?"
"Ik slaap hier toch bijna niet."
"Maar toen ik even wakker was, lag jij te snurken!"
"Dat doe ik nooit, misschien heb je het wel gedroomd, dat heb je vaak na zo'n operatie, dat je van die rare dingen droomt, komt door de narcose."
"Krijg jij vandaag nog bezoek?", vraag ik.
"Mijn zuster komt zaterdag weer."
"Vandaag niemand?"
"Nee, zo makkelijk kan ze niet weg. Drukke baan en de kinderen natuurlijk."
"Hoe oud zijn die kinderen?"
"Tweeëntwintig en achttien."
"Verder komt er niemand?"
"Ach, misschien, ik weet het niet. Je weet hoe dat gaat, iedereen heeft het druk."
"Mijn dochter komt vanmiddag."
"Ja, dat zei je zoon."
"Jij hebt geen kinderen?'
"Nee."
"Geen andere broers en zusters?"
"Jawel, maar we zijn verder niet zo dik met elkaar. Ik ga nog even proberen wat te slapen, ik heb vannacht geen oog dichtgedaan."
"Welterusten dan."

Als de zuster de post komt brengen, ligt ze alweer te snurken.
"Allemaal voor mij?"
Het snurken stopt plotseling en met een zucht draait ze zich om.
Glimlachend lees ik de kaarten. Straks maar even aan de zuster vragen of ze die op wil hangen. Ik doezel weer in.

"Ruik jij dat ook?"
"Wat?" schrik ik wakker.
"Die scheet."
"O, ik weet niet, ik sliep."
"Ja, jij wel."

De etenskar komt ratelend binnen gereden.
"Dinnertime!" roept ze.
"Half twaalf!" zeg ik.
"Ja, zo gaat dat hier, daar moet je maar aan wennen.
"Wilt u aan tafel eten?" vraagt de zuster mij.
"Mag dat dan?"
"Ja hoor, u mag uit bed."
"Mag jij nu al uit bed?"
"Ja, dat hoor je toch!"
"Jij hebt zeker zuurkool? Ja, dat was het standaardmenu vandaag, maar daar kan ik niet tegen. Mijn darmen hè? Ik heb maar doperwtjes met schnitzel besteld, dat valt beter. Heb jij daar geen last van, zuurkool? Ik bedoel met die darmen van jou, ik weet niet, maar ik dacht…"
"Ik ben dol op zuurkool!"
We eten verder zwijgend. Daarna kruip ik weer in bed.
"Dat viel zeker tegen?", vraagt ze.
"Nee hoor, dat ging best. Mag jij er nog niet uit?"
"Nee voorlopig niet."
"Enig idee wanneer je weer naar huis mag?"
"Nou, dat zal nog wel even duren."
"Als alles goed gaat, mag ik zaterdag weg", zeg ik.
"Ja, zoveel stelde die van jou natuurlijk niet voor, dat was ook maar een kleine ingreep. "


"Zuster, wilt u mijn kaarten ophangen", vraag ik de zuster die de borden komt ophalen.
"Smaakte het niet zo?" vraagt ze aan haar. Het bord is nog halfvol.
"Niet zoveel trek."
"Nou, bij u ging het er wel goed in", zegt ze tegen mij. Ik zal ze zo ophangen, eerst even de borden doen."
"Had je post?"
"Ja, van de buren en een paar vriendinnen."
"Leuk", zegt ze.
"Ik ga wat proberen te lezen."
Ze draait zich om.

Als ik mijn ogen opendoe zie ik Esther naast mijn bed zitten, haar handen rustig in haar schoot, haar blik in de verte. Ik kom een beetje overeind.
"Dag lieverd", Esther kust me.
"Zullen we naar de conversatiezaal gaan?" zeg ik.
"Kun je dat?"
"Ja, hoor, ik voel me prima!"
Zij draait zich om en zegt: "Doe maar voorzichtig hoor, ze is nog lang niet goed!"
"Toe maar, ik pak je arm", zegt Esther.
We schuifelen samen naar de conversatiezaal.

Als ik terugkom in de kamer staat de zuster het andere bed te verschonen.
"Waar is zij heen?" , vraag ik.
"Verhuisd naar hiernaast."
"Waarom?"
"Dat heeft ze gevraagd."
"Heeft ze dat gevraagd?"
Ik snap er niets van.



© Hannie van Blitterswijk, 14 februari 2001

{short description of image}

terug naar mijn thuispagina