|
Wieringen
De zee is leeg. Alsof iemand de stop eruit getrokken heeft. Laag water en aflandige wind. Eén grote moddervlakte tussen Wieringen en Texel. In de verte een witte streep kluten. Ik zie de veerpont varen.
Wolken drentelen doelloos rond in de blauwe lucht: nu hebben ze niets om zich in te weerspiegelen. Het wad maakt geluid. Een zacht gezuig, gesis, gerommel. Kokerwormen aan de praat of het laatste water dat wegsijpelt? Ik kan het niet goed horen.
Zeekraal verkleurt via herfstgeel naar rood. Nu echt te taai om te eten. Een maand geleden kon ik het sappige vlees nog van de draderige skeletten afstropen. Ik proef de zilte smaak in mijn mond. Volgend jaar weer, in het voorjaar kun je het zelfs rauw eten. De skeletjes zijn dan boterzacht. Zeeasters gloeien hier en daar nog lila op, maar de meeste zijn nu enkel grijs pluis. Voer voor kneuen en distelvinken. Grijze zeealsem met een geur die wonderlijk genoeg nog niet door de parfumindustrie is ontdekt. De vogels verzamelen zich. Ze praten druk over straks, over de verre reis. Doorgewinterde trekgasten en juvenielen met een rommelig gekleurd verenpak door elkaar. Wie zullen er terugkeren? De eerste formaties ganzen vliegen schetterend over. Grauwe ganzen, nog geen rotganzen, althans niet in de lucht. Wel op het kerkhof van Stroe, zij aan zij met Lont en Kuut. Gedenk te sterven staat er op het hek. Gedenk te leven, denk ik dan opstandig.
Op de picknickbank zitten een jongen en een meisje. Op onze picknickbank! Ik temper mijn woede met verstand en zeg Hoi, want dat zegt iedereen hier. Ze kijken hoe de zon achter Den Helder wegzakt en drinken wijn. Ze groeten verbaasd terug. Die zijn zeker niet van hier.
Ik ben ook niet van hier, maar hier is wel van mij. De zilte lucht, de vage geur van verrotting, die zijn van mij. De schapenstront en de hazen. Zeven hazen op het hazenveldje gezien! Die dode meeuw langs de dijk; elke dag is er minder van hem over. Straks niets meer. De zeewind is niet barmhartig. Of misschien ook wel. Hij waait mijn hoofd leeg. Alles moet weg, roept hij als de eerste de beste marktkoopman. Maar soms is hij zo sterk dat je tegen hem aan kunt leunen. Dan vertrouw ik op de hem en laat me vallen. Morgen storm?
De nacht is stilletjes vol sterren. Alleen weemoedige zilverplevieren roepen nog. Of zijn het misschien toch goudplevieren? Ik doe net alsof ik Den Helder niet zie. Ik mag een wens doen.
s Ochtends is de zee vol water. Zwart-witte scholeksters zijn druk met onbegrepen bezigheden. Oranje snavels knikken nadrukkelijk. Te Piet! roepen ze, en zo is het ook, knik ik. De leegte van de lucht weerspiegelt zich in de leegte van de zee. Geen wolken. De windwijzer op het peilhuisje wijst naar het westen. Ergens blaat een schaap.
©Hannie van Blitterswijk, september 2000 |
![]() |